Inloggen:


Gebruikersnaam:
Wachtwoord:
Onthouden?:


Statistieken


Er zijn 2 geregistreerde gebruikers online.
Online gebruikers:

  • Google [Bot]
  • Bing [Bot]

Totaal aantal leden: 877
Ons nieuwste lid is lois46

Home » Sword arts » Introductie in de krijgskunsten

Sword arts      

Introductie in de krijgskunsten

Door Ger

In dit artikel komen een aantal relatief bekende krijgskunsten (martial arts) aan bod. Het merendeel betreft oosterse vechtsporten, maar ook bekende westerse of verwesterde vechtsporten zijn hierin opgenomen.

Aikido

Aikido betekent letterlijk: “de weg van het ontmoeten en in harmonie brengen van levenskracht”. Het is een verdedigingsport die in het begin van de twintigste eeuw is ontwikkeld door Morihei Ueshiba. De aikidoka’s noemt hem ook wel "De grote meester". Morihei Ueshiba heeft zich laten inspireren door de technieken van de Japanse Samoerai en zelfverdedigingkunsten of vechtsporten als Daito riu, jiujitsu en kenjutsu. De kern van aikido is zelfverdediging. Een aikidoka traint zijn of haar lichaam en geest ter verbetering van zichzelf, om zichzelf te overwinnen.

Aikido wordt zowel ongewapend als gewapend beoefend. Als er een wapen gebruikt wordt, is dat een houten zwaard (boken), stok (jo) en mes (tanto).

Bij de ongewapende technieken wordt gebruik gemaakt van klemmen en/of worpen ter verdediging tegen een gewapende of ongewapende aanval. Klemtechnieken richten zich doorgaans op het pols-, elleboog- of schoudergewricht van de tegenstander om deze zodoende onder controle te kunnen houden. Een belangrijk element bij zowel klem- als werptechnieken is het uit evenwicht brengen van de aanvaller, in veel gevallen door gebruik te maken van diens eigen aanvalskracht en -beweging. Slechts bij enkele aikidoworpen wordt de tegenstander echt opgetild, meestal blijven de worpen relatief laag.

Afhankelijk van de leermeester (sensei) of de stijl kan het accent meer liggen op soepelheid en ruime bewegingen of juist op een snelle, scherpe uitvoering van de techniek. Voorts leggen sommige stijlen een grotere nadruk op wapentechnieken terwijl anderen zich vooral toespitsen op de ongewapende technieken. Nog anderen zullen zich minder met het zuiver martiale aspect inlaten om meer aandacht te kunnen besteden aan de achterliggende filosofische principes.


Iaido

Iaido is de kunst van het snel kunnen trekken van een zwaard, gevolgd door een aanval, afschudden van het bloed van het lemmet en het weer terugsteken van het zwaard in de schede. Hiervoor zijn diverse oefenvormen (kata). De diverse kata kunnen zowel zittend als staand uitgevoerd worden, waarbij een aanval vanuit alle richtingen kan komen.

Alle bewegingen horen vloeiend en overdacht te gebeuren. Tijdens de uitvoering hoort de iaidoka voortdurend geconcentreerd en waakzaam te zijn. Hierdoor ontwikkelt de beoefenaar een goede lichaamscontrole en concentratievermogen. Dit is dan ook de reden waarvoor veel iaidoka de kunst beoefenen.

Iaido wordt beoefend met een houten zwaard (boken), metalen oefenzwaard (iaito) of geslepen stalen zwaard (shinken). Welke van deze gebruikt wordt is afhankelijk van de ervaring van de iaidoka.

 


 

Kendo

Kendo betekent letterlijk: “de weg van het zwaard”. Het is een moderne variant van het traditionele zwaardvechten (kenjutsu) zoals het vroeger werd beoefend door Bushi (elite-soldaten) of samoerai. Kendo is in de zestiende eeuw ontstaan uit diverse technieken.

Kendo is een dynamische full-contact sport. Kendoka’s vechten in beschermende kleding met bamboe zwaarden, de zogenaamde shinai. Tijdens een gevecht moet een kendoka elke beweging van zijn tegenstander in de gaten houden en intuïtief de juiste acties ondernemen, want tijd om te denken, te wachten en adem te sparen is er niet. Dit vereist veel training, een ononderbroken concentratie en een hoge mate van zelfbeheersing. Hiertoe is men alleen in staat als lichaam en geest met elkaar in harmonie zijn.

Daarom is kendo in eerste instantie een gevecht met jezelf. Je hoeft dat gevecht niet te winnen, als je het maar niet verliest.

In het moderne kendo zijn twee soorten aanvallen: slagen en stoten. Slagen zijn alleen toegestaan op bepaalde delen van het lichaam: de bovenkant en slapen van het hoofd, de rechter- en linkerzijde van het lichaam en de onderarmen. Stoten mogen alleen op de keel zijn gericht; of op de bovenkant van de borstplaat, bij wijze van verdediging, of om de tegenstander weg te stoten om daarna naar bijvoorbeeld het hoofd aan te vallen. Aangezien een verkeerd geplaatste stoot op de keel verwondingen kan veroorzaken wordt deze techniek op beginnerniveau normaal nog niet toegepast, maar pas later geïntroduceerd.

 


 

Kungfu/Wushu

Kungfu, ook wel Kung Fu of Gong Fu genoemd, betekent simpelweg “ergens goed in zijn”. Kungfu op zich is geen vechtsport, maar is door een misverstand synoniem komen te staan voor de Chinese vechtstijlen, waaronder Wing Chun, Tai Chi, Shaolin, Hung Gar en Jeet kun-do. Totaal vallen er zo’n honderdtachtig vechtsporten onder de noemer kungfu, zowel gewapende als ongewapende stijlen.

Een term die beter bij de Chinese vechtkunsten past is wushu, wat letterlijk krijskunst betekent. Het moderne wushu heeft het begrip wat bekender gemaakt in het westen. De moderne wushu vorm is een mengeling van de traditionele stijlen met acrobatiek. Het is ontstaan door toedoen van de communistische regering van China, die een nationale sport wilde hebben.

Het moderne wushu bestaat uit vijf wedstrijdcategorieën:

  1. Chan Quan (vuist vorm);
  2. Rechtzwaard;
  3. Breedzwaard;
  4. Speer;
  5. Stok.

Ninjutsu

Ninjutsu betekent letterlijk “de kunst van het verbergen. Het is een kleine duizend jaar geleden ontstaan. Destijds waren de samoerai oppermachtig. De ninja’s (ook wel ninjutsuka) dienden de samoerai niet en vluchtten de bergen in, waar ze zich trainden in krijgskunsten. Door de eeuwen heen trainden ze zich eigenlijk in alle krijgskunsten die destijds in die regio bekend waren. Zo leerde de ninja te vechten om te overleven. Als hij faalde wachtte hem vrijwel zeker de dood. Grofweg valt de training van een ninja uit te splitsen in acht methoden:

  1. Tai jutsu - de ongewapende gevechtsmethode.
  2. Hichojutsu - spring- en klimmethoden.
  3. Bojutsu - stok- en stafvechten.
  4. Kenjutsu - zwaardvechten en werpen.
  5. Kusarijutsu - ketting en touwwapens.
  6. Goton-Po - het gebruik van natuurlijke elementen.
  7. Omshinjutsu - de kunst van vermomming en onzichtbaarheid.
  8. Heiho - militaire tactieken.

De principes zijn altijd hetzelfde; behendig voetenwerk, kracht en snelheid zijn essentieel. De vechtstijl van de ninja is een serie vloeiende, eenvoudige bewegingen, niet een systeem van uitgebreide en complexe technieken. De essentie van ninjutsu is eenvoud. De ninja's geloofden sterk in hun persoonlijke vrijheid en de loyaliteit naar hun familie en op de laatste plaats kwam pas de overheid aan de beurt. Dit in tegenstelling tot de Samoerai waar de overheid op de eerste plaats stond.


Pencak Silat

Pencak Silat is dé verdedigingskunst van Indonesië. Eeuwen geleden ontwikkelden priesters en monniken technieken om zichzelf te verdedigen. Hierbij bestudeerden zij het gedrag van dieren, met in het bijzonder de overlevingstechnieken.

Door de jaren heen ontstonden honderden verschillen pencak silat stijlen. De stijlen zijn meestal verbonden aan een bepaalde streek, dorp of zelfs familie. Al deze stijlen hebben technische overeenkomsten, maar ontwikkelden zich anders en kregen een eigen identiteit. Zo is bijvoorbeeld de ondergrond van belang. Een rotsachtige bodem vraagt om andere vaardigheden dan een ondergrond van zand of gras. Bij een kleiachtige bodem moet je rekening houden dat de grond bij vochtig weer glibberig is. Hier ga je dus niet zo veel springen of snelle zijwaartse bewegingen maken.

De pesilat (beoefenaar) maakt gebruik van verschillende wapens, maar de essentie is het ongewapend gevecht. Omdat wapens verboden werden voor het gewone volk gebruikte de pesilat vooral alledaagse gebruiksvoorwerpen, zoals waaier, kapmessen en stokken.

Omdat pencak silat zeer uitgebreid is en zeer veel stijlen heeft kunnen we hier niet al te diep op in gaan. Voor meer informatie verwijzen we naar www.manyang.nl.


 

Schermen

Schermen is het gecontroleerd gebruik maken van een steekwapen voor zowel aanval als verdediging. Schermen is een pure sport, in tegenstelling tot de meeste oosterse vechtsporten waarbij vaak beheersing van de geest een belangrijk onderdeel vormt.

Tegenwoordig gebruiken schermers alleen nog de floret, degen en sabel. Een floret is een maximaal 500 gram wegend zwaard van maximaal 110 cm lang, met een rechthoekig, flexibel lemmet. Geldige treffers kunnen alleen met de punt op de romp worden toegebracht.

Een moderne degen lijkt veel op het klassieke duelleerwapen. Het lemmet heeft een driehoekige doorsnede en is slechts in zeer beperkte mate flexibel. Een degen is maximaal 110 cm lang en weegt maximaal 770 gram. Geldige treffers kunnen alleen met de punt toegebracht worden, maar wel op het gehele lichaam.

De sabel is zowel een slag- als een steekwapen. Het weegt maximaal 500 gram en is maximaal 105 cm lang. Het heeft traditioneel een plat lemmet en een kleine kromming. Geldige treffers kunnen met het gehele lemmet worden gemaakt op romp, armen en hoofd.

Een schermduel vind plaats in een rechthoekige piste van 14 meter lang en tussen 1,5 en 2 meter breed. De schermers beginnen tegenover elkaar in het midden van de piste op 4 meter afstand van elkaar, in de welbekende schermhouding. (de lege arm naar achteren met de onderarm onhoog, de arm met het zwaard naar voren gericht).

De laatste jaren is bij het schermen het gebruik van elektrische trefferaanduiding in opkomst. Hierbij dient met een per stijl verschillende minimale kracht een geldig doel geraakt worden.

Home » Sword arts » Introductie in de krijgskunsten